Hoger inschrijvingsgeld, strengere selectie en rationaliseren: de voorstellen van VOKA voor ons hoger onderwijs

Afgelopen zomer kwam de Vlaamse werkgeversorganisatie VOKA met hun onderwijsrapport naar buiten. Daarin doen ze een aantal voorstellen om het hoger onderwijs te hervormen en stellen ze voor om tijdens de volgende legislatuur - door te sleutelen aan het financieringsmodel - meer selectie, minder vakken en hogere inschrijvingsgelden in te voeren.


De ambitie om deze maatregelen snel te laten doorvoeren steekt VOKA niet onder stoelen of banken. Zo schrijven ze: “Deze aanbevelingen moeten deel uitmaken van het volgende regeerakkoord. Het maatschappelijk debat kan dan ten volle gevoerd worden tijdens de volgende legislatuur en de beleidsmakers hebben zo voldoende tijd om het wetgevende werk voor te bereiden en af te ronden voor het einde van de legislatuur.” (p. 4) In dit artikel gaan we dieper in op de plannen van het bedrijfsleven met ons hoger onderwijs, hoe deze politiek vertaald worden en welke visie Comac daar tegenover stelt.



Een recht of een individuele investering?


De manier waarop VOKA wil dat het onderwijs hervormd wordt is door een herziening van de financieringsmethode. De nieuwe methode zou de klemtoon moeten leggen op “de relevantie van het onderwijsaanbod, studiesucces, rationalisatie, innovatieve lesvormen, internationalisering, levenslang leren en excellent onderzoek” (p. 5) en zou bestaan uit minder overheidsgeld in combinatie met meer private middelen: “Ook in het hoger onderwijs kan er meer gedaan worden met minder overheidsgeld. Er kunnen nog efficiëntiewinsten geboekt worden door bijvoorbeeld beter samen te werken, studenten sneller te oriënteren en meer te rationaliseren” (p. 21). Het inperken van publieke middelen wordt in de visie van VOKA met andere woorden gebruikt om de instellingen te dwingen om zich ‘autonoom’ om te vormen in functie van het bedrijfsleven.


Tegenover publieke financiering plaatst VOKA uiteraard private financiering. Dat gaat dan enerzijds over samenwerkingen met het bedrijfsleven, wat ze expliciet als parameter willen nemen voor het toekennen van (publieke) basisfinanciering. Ook universiteiten die meer Europese innovatiemiddelen binnenhalen of meer geld halen uit leerstoelen moeten daarvoor beloond worden. Anderzijds wil men ook de inschrijvingsgelden verhogen. “Hoewel die deze legislatuur reeds verhoogd zijn, zijn er voldoende objectieve argumenten om ze in de toekomst in beperkte mate verder te verhogen” (p.22), schrijven ze daarover. Door een toename van het zogenaamde post-initieel onderwijs (banaba, manama, enz.) die veel minder publiek gefinancierd worden, zou het aandeel van de inschrijvingsgelden waarschijnlijk automatisch verhogen.

De visie van VOKA vindt ook gehoor bij beleidsmakers. “De lichte verhoging die Crevits heeft doorgevoerd, is eigenlijk peanuts” aldus Dirk Vandamme, topman van de OESO. Minister van Onderwijs Hilde Crevits is iets voorzichtiger, maar laat ook blijken open te staan voor de voorstellen van VOKA: “We moeten bekijken of het evenwicht tussen input- en outputfinanciering nog klopt, maar er is nog geen definitief voorstel.” Eerder zei ook Luc Sels: “Ik heb geen probleem met een beperkte verhoging van het inschrijvingsgeld.” Om de geesten voor te bereiden verpakten sommige opiniemakers deze ideeën zelfs al in een progressief jasje. “De armere laagopgeleiden betalen mee voor het onderwijs van de rijkere hoogopgeleiden, terwijl ze er zelf de vruchten niet van plukken”, zo luidt de redenering van de Leuvense econoom Erwin Ooghe die voor zogenaamd ‘slimme’ studieleningen pleit.


Achter die redenering schuilt een visie op onderwijs als een individuele investering in je eigen menselijk kapitaal. Dat merkt ook Luc Nijs op in zijn opinie ‘onderwijs is een basisrecht’ waarin hij het voorstel van Ooghe op de korrel neemt. “Tegenover dit soort van marktfundamentalisme zet ik graag de Duitse en Scandinavische filosofie. (Hoger) onderwijs is daar een basisrecht en onderdeel van de publieke infrastructuur. Iedereen draagt daaraan bij zonder onderscheid. De lager opgeleide wordt uiteindelijk ook verzorgd door een dokter”, schrijft Nijs. In Duitsland en verschillende Scandinavische landen is het hoger onderwijs overigens ook gewoon gratis. Logisch, want als onderwijs een recht is, horen er geen financiële drempels te zijn.



Iedereen op zijn plaats of iedereen helpen slagen?

Eén van de hoofddoelstellingen die VOKA wil bereiken met de herziening van het financieringsmodel is het inkorten van de studieduur: “Slechts één student op drie haalt op tijd een diploma, wat een enorme kost betekent voor de ouders, de overheid en de instellingen en een tijdsverlies voor de student. De parameters van het financieringsmodel moeten hieraan helpen remediëren.” (p.10). Om deze doelstelling te bereiken reikt VOKA twee instrumenten aan: selectie en heroriënteren. Over hoe men die selectie zou waarmaken, valt men met de deur in huis: “Op termijn moeten er voor alle opleidingen toelatingsproeven komen” (p.13). Een andere manier om dit te doen is door de inputfinanciering te beperken. Universiteiten krijgen nu in het eerste jaar financiering per opgenomen studiepunten/studenten (input) en pas van het tweede jaar per afgelegde studiepunten/geslaagde studenten (output). VOKA wilt die focus op input in het eerste jaar dus afbouwen. Tenslotte stellen ze voor om het startkrediet van studenten eenvoudigweg te verlagen waardoor ze sneller gedwongen zijn om te heroriënteren.


Ook op dit punt volgen de politieke standpunten braaf die van VOKA. “Wie gelijke kansen in het onderwijs wil, moet durven selecteren”, luidt de titel van een interview met Phillipe De Backer van Open VLD. “Maak de aula democratischer, weiger meer studenten”, herhaalt Raf Geenens, professor aan de KU Leuven, de mantra, “waarom durven we niet selecteren op capaciteiten?” Luc Sels zegt zich te inspireren op de visie van zijn collega uit Utrecht, Bert Van Zwaan die een grote voorstander is van strengere selectie. In Utrecht studeren momenteel 30.000 studenten, dat aantal moet flink naar beneden voor van der Zwaan. “Zo’n 15.000 tot 20.000 studenten wordt intuïtief gezien als het ideaal.” N-VA verwoordt het als volgt: “De N-VA wil duidelijk blijven inzetten op democratisering, maar dan zonder de illusie te wekken of te voeden dat hoger onderwijs zomaar voor iedereen haalbaar is.” Ook hier trachten sommigen de voorstellen van VOKA te verpakken met progressieve argumenten. “De hoge uitvalpercentages wijzen er op dat veel studenten een keuze maken voor hoger onderwijs die niet bij hen past”, klinkt het bij Groen.


Selectie, heroriëntering en oriëntatieproeven worden voorgesteld als logische oplossingen om de slaagpercentages omhoog te helpen. Maar achterliggend bevindt zich een onuitgesproken, elitaire visie op onderwijs. Een visie waarin iedereen een voorbestemde plaats heeft in de maatschappij en het hoger onderwijs nu eenmaal niet voor iedereen is. De voorstanders van meer selectie leggen de oorzaak van falen eenzijdig bij het individu. In plaats van de structurele oorzaken van het falen aan te pakken, wil men gewoon de studenten die niet slagen op voorhand al wegsturen. Dat past in een visie waarin men de zogenaamde ‘capaciteiten’ die de test dan zou moeten meten, als onveranderlijke persoonskenmerken ziet en niet als potentieel dat door de omgeving moet worden gestimuleerd en ook kan worden ontwikkeld. De mythe van de meritocratie die abstractie maakt van sociale ongelijkheid is natuurlijk vooral interessant voor wie zelf aan de top staat. Men beweert te selecteren op capaciteiten, maar wie even verder kijkt ziet dat men vooral selecteert op sociale klasse.


“Als we de uitstromers zonder diploma in detail bekijken, blijkt dat de groep die afhaakt na één jaar vooral bestaat uit jongeren uit minder geprivilegieerde gezinnen”, schrijft Els Consuegra, onderzoeker naar onderwijsongelijkheid aan de VUB, in een gezamenlijk artikel met dertien collega’s. Terwijl kinderen uit kansrijke gezinnen een negatieve uitslag op een ijkingsproef gemakkelijker naast zich neer kunnen leggen, worden kinderen uit kansarme gezinnen met eenzelfde resultaat er harder door afgeschrikt. Zo wordt het een voorrecht voor een reeds bevoordeeld deel van de bevolking om toch de poging te wagen om hogere studies aan te vatten.

Natuurlijk betekent dat niet dat er niets moet gedaan worden aan het hoge aantal studenten dat niet slaagt in het eerste jaar. Maar hoe je het probleem definieert, verandert ook de aanpak. De doelstelling moet zijn om iedereen de kans te geven om te slagen. "Wie beweert dat de enige methode om de kwaliteit van de uitstroom op peil te houden erin bestaat om bij de instroom te selecteren, propageert het failliet van eigen kunnen", vatten de verschillende VUB-professoren het goed samen in hun opiniestuk voor De Morgen. In plaats van elite-universiteiten die enkel de ‘besten’ willen selecteren, zouden we moeten gaan naar een emancipatorisch hoger onderwijs waarin iedereen de kans krijgt om zich te ontwikkelen en uiteindelijk ook te slagen.



Middel tot emancipatie of diplomafabriek?


Een laatste belangrijke as is het verder afstemmen van het aanbod op de noden van het bedrijfsleven. Enerzijds is er het stimuleren van STEM-opleidingen en bedrijfsgerichte opleiding door de puntengewichten af te schaffen of te herzien. Vandaag zorgen die ervoor dat instellingen die een breed aanbod aan richtingen hebben, bepaalde verlieslatende richtingen laten voortbestaan door interne solidariteitsmechanismen. Anderzijds is er de ‘rationalisering’ van het aanbod. VOKA wilt dat het voorstel van Franck Vandenbroucke uit 2007 opnieuw op tafel wordt gelegd om “bacheloropleidingen stop te zetten waar minder dan 115 studenten zitten, verspreid over drie jaren”. Voor masteropleidingen zou de norm van twintig studenten opnieuw op tafel worden gelegd. Ten slotte kunnen ook samenwerkingsverbanden zorgen voor een inperking van het aantal vakken en richtingen.

Ook op dit punt is men reeds druk bezig de om de geesten voor te bereiden. “Momenteel bieden we als universiteit ook twaalfduizend vakken aan”, aldus Sels. “Die willen we natuurlijk niet allemaal schrappen, maar we moeten wel bekijken of we bepaalde vakken niet tot grotere gehelen kunnen bundelen.” Vakken bundelen klinkt minder erg dan vakken schrappen, maar uiteindelijk is het dus uiteindelijk wel de bedoeling om minder vakken aan te bieden. “Je kunt niet nodeloos blijven investeren in richtingen die geen return opleveren”, zo vatte de decaan van de UGent het samen in De Morgen.

In dit rendementsdenken telt echter niet de return van de opleiding voor de samenleving, wel de winst die er mee gemaakt kan worden. Maar dat ze niet ‘rendabel’ zijn, wil natuurlijk nog niet zeggen dat die vakken ‘waardeloos’ zijn. Ons hoger onderwijs zou gericht moeten zijn op de noden van de samenleving en die vallen niet noodzakelijk samen met die zaken die het hoogste rendement mee brengen. Uiteraard valt er met de richting Wijsbegeerte niet al te veel geld te verdienen, maar het is in een maatschappij wel nuttig dat er mensen zijn die verder kunnen denken dan de waan van de dag en de samenleving ook kritisch in vraag kunnen stellen.

Terugkeer van het elitarisme

Al sinds mei ’68 staan twee visies op onderwijs haaks tegenover elkaar. Enerzijds het onderwijs als een emanciperend middel, op weg naar een meer gelijke samenleving, een onderwijs in functie van de noden van de maatschappij en de mensen. Anderzijds een onderwijs in functie van de noden van de bedrijfswereld, dat focust op een kleine ‘excellente’ minderheid. Die strijd is duidelijk nog niet gestreden. In tegendeel, de N-VA dat zijn zinnen heeft gezet op het ministerie van onderwijs verdedigt offensief een terugkeer naar de elitaire visie op onderwijs van voor ‘68. Ze inspireren zich daarvoor op onderwijsexperts zoals Wouter Duyck die beweert dat de ongelijkheid in ons onderwijs niet het gevolg is van discriminerende structuren zoals het watervalsysteem, maar voor een groot deel berust op genetische factoren.

“De impact van afkomst op leerprestaties verklaart slechts 20 procent van de resultaten van het PISA-onderzoek, waarvan de helft nog eens een onveranderlijk IQ-effect is” aldus Duyck. Vrij vertaald: als arme mensen minder goed scoren in het onderwijs komt dat vooral omdat ze te dom zijn. Dit soort van sociaal racisme is gebaseerd een arbitraire interpretatie van IQ testen zoals ook toegepast werd in The Bell Curve van Herrnstein en Murray uit 1994. In dat boek verdedigen deze cognitieve psychologen dat het verschil in schoolresultaten tussen blanken en zwarten voornamelijk het gevolg zou zijn van de superieure intelligentie van de blanken.


Bologna: onderwijs in functie van multinationals


Om de hervormingen die vandaag in Vlaanderen worden voorgesteld ten gronde te begrijpen, moet we terug naar het Bologna-akkoord van 1999 waarin de Europese leiders de krijtlijnen uittekenden voor de creatie van een Europese onderwijsmarkt. Het akkoord werd getekend door 29 Europese ministers van onderwijs en is in essentie niet veel meer dan de politieke vertaling van de tekst ‘Onderwijs en competenties in Europa’ van de Europese Ronde Tafel van Industriëlen (ERT). De ERT is een machtige lobbyorganisatie, bestaande uit een vijftigtal CEO’s van de machtigste Europese (multinationale) industriële bedrijven. Het doel is om de concurrentie aan te gaan met het Amerikaanse en het Aziatische blok. Enerzijds wil men het technologisch leiderschap en de competitiviteit van Europa versterken door de inhoud van de opleidingen af te stemmen op de behoeftes van het bedrijfsleven. Anderzijds wil men een Europese onderwijsmarkt creëren waarin ook rechtstreeks winsten kunnen worden gemaakt.


In hun nota ‘vision for a competitive Europe in 2025’ schuift de ERT drie prioriteiten naar voren voor de implementatie van het Bologna-akkoord. Ten eerste willen ze nog meer linken tussen onderwijs, onderzoek en het bedrijfsleven. Dat noemen ze ‘the knowledge triangle. Business Europe, de Europese VOKA zeg maar, heeft het over “het vergroten van de betrokkenheid van de bedrijven op alle domeinen.” De Europese Commissie heeft duidelijk goed geluisterd. “We engageren ons om de synergieën tussen onderwijs, onderzoek en innovatie te verbeteren” klinkt het. Ten tweede wil men meer focussen op output (verworven competenties) dan op de input (duur van de opleiding, enz.). De ERT spreekt over stages in bedrijven en levenslang leren. De Europese Commissie verzint een resem woorden die in dezelfde richting gaan: ‘open education’, ‘student-centred learning’, ‘flexible learning’, ‘digital education’, ‘blended education’, ‘life-long learning’, ‘work based learning’, en ga zo maar door. Dat gaat allemaal in de richting van modulair onderwijs. In plaats van ‘een socioloog’ of ‘historicus’ aan te nemen kunnen bedrijven in dat systeem hun (toekomstige) werknemers gericht die modules laten volgen die zij nuttig achten. In welke opleiding of universiteit je de competentie hebt verworven doet dan niet meer ter zake, bovendien kan een cursus die wordt opgedeeld in kleinere pakketten ook gemakkelijker worden verkocht. Tenslotte wil men de vergelijkbaarheid en mobiliteit tussen de Europese universiteiten vergroten. De plannen van VOKA komen met andere woorden niet uit de lucht gevallen, ze kaderen binnen bredere plannen van het Europese establishment voor ons hoger onderwijs.


Er is wel een alternatief

De plannen van bovenaf zijn duidelijk. Vanuit de bedrijfswereld en de politieke wereld is men volop aan het voorbereiden om de plannen voor ons onderwijs door te voeren. De hervormingen zullen pas na de verkiezingen doorgevoerd worden, dat geeft ons nog even tijd om een reactie voor te bereiden. Zij stellen hun plannen dan wel graag voor als de enige mogelijke richting die ons onderwijs kan uitgaan, maar niets is minder waar. Daarom is het belangrijk om tegenover de elitaire, marktgerichte visie op onderwijs een visie op onderwijs plaatsen waarbij onderwijs wordt gezien als een collectief goed, en een recht voor iedereen. We hoeven ons daarin niet te beperkten tot het kader dat men ons wil opleggen. Waarom zouden we als studenten niet eens offensieve eisen naar voren kunnen schuiven?


Het is duidelijk uit het rapport van VOKA dat het via de financiering is dat men de instellingen wil aanzetten om op te schuiven in hun richting. De financiering zou echter ook een hefboom kunnen zijn om een democratisch hoger onderwijs te realiseren, bijvoorbeeld een publieke herfinanciering naar 2% van het BBP, zoals dat in de jaren ‘70 het geval was. Op deze manier zou men niet enkel ruimte hebben voor meer personeel, maar ook - waarom niet - het inschrijvingsgeld volledig kunnen afschaffen. Indien we het inschrijvingsgeld volledig zouden afschaffen, zou dat voor Vlaanderen jaarlijks ongeveer 250 miljoen euro kosten. Als AB Inbev gewoon haar belastingen zou betalen aan het normale tarief, zou dat twee miljard euro opleveren. Wil je dat bedrag aan de aandeelhouders van AB Inbev geven of investeren in een democratisch onderwijssysteem? Het is zoals steeds een kwestie van politieke keuzes.


VOKA heeft het geld en de connecties, maar wij hebben de mensen. Een studentenbeweging die mobiliseert en de herfinanciering van het hoger onderwijs als thema opdringt voor de verkiezingen zou een stuk sterker staan voor de strijd die er aan zit te komen. Van bovenaf heeft men de strijdplannen klaar. Tijd om ook een strijd van onderuit voor te bereiden.

Comac logo© Comac Studenten 2018.

Privacy

In samenwerking met: