De inconvenient truth van de kolonisatie

Het debat over de kolonisatie is terug van nooit weggeweest. Na de racistische gezangen op Pukkelpop verschenen zelfs opnieuw openlijke verdedigingen van het kolonialisme. Tot op heden wordt het kolonialisme nog niet verplicht onderwezen in het middelbaar onderwijs. Onze steden staan nog vol met standbeelden voor Leopold II en ook huldigingen van het koloniaal verleden zijn geen uitzondering. Om het debat rond de kolonisatie, de oorzaken en het blijvende racisme te begrijpen moeten we de geschiedenis van dichterbij bekijken en de belangen analyseren die aan de basis van de kolonisatie liggen.

Een winst-winst situatie

Historicus Guy Vanthemsche is duidelijk over de ware drijfveren van de kolonisatie en stelt dat het “geen twijfel lijdt dat de Belgische kolonisatie van start ging om winst te maken”. De administratie van de koloniale staat was er dan ook vooral op gericht om de winsten van de grote ondernemingen te verzekeren. Het Belgisch Ministerie van Koloniën gaf de volgende richtlijn mee aan de koloniale administratie: “de meest brede steun van de autoriteiten aan de economische ondernemingen moet verzekerd worden. De ambtenaren zullen zich naar best vermogen inspannen om de vestiging van planters, industriëlen en handelaars in de streek te vergemakkelijken”.

In 1885 werden alle beschikbare gronden eigendom van de staat, en dus van Leopold II. Het Ministerie van Koloniën is duidelijk over de bestemming van de meest bruikbare Congolese gronden: “het mag niet dat inboorlingen gronden die door hun situatie en de andere geografische omstandigheden bijzonder goed geschikt zijn voor de kolonisatie of de landbouw door Europeanen, die eventueel vacant zouden liggen, in bezit nemen of er hun activiteiten uitbreiden, waardoor zij de invoering van de Europese kolonisatie zouden beletten of bemoeilijken, daar waar zij mogelijk is”. Het gevolg was dat de Congolese bevolking van haar grond verdreven werd, waar families soms al eeuwen woonden.

Vele Congolezen werden verplicht om in dwangarbeid te werken. In 1937 werden 700.000 Congolezen in een systeem van dwangarbeid ingeschakeld. Naast dwangarbeid waren ook de normale lonen ontoereikend. Vicegouverneur Moulaert schatte in 1924 de jaarlijkse kost van een arbeider bij Union Minière op 8000 frank, terwijl die er 50.000 opbracht. Een Congolees arbeider verdiende zo weinig dat het gemiddeld loon zelfs niet voldoende was om in het minimum aan voedingsonkosten te voorzien. De grote ondernemingen werd geen strobreed in de weg gelegd. In de vorm van grote concessies kregen zij het monopolie over gigantische delen van de Belgische kolonie. De bevriende bedrijven die de grootste concessies ontvingen, konden in enkele decennia een groot imperium uitbouwen en gigantische winsten naar België versluizen. Net voor de Congolese onafhankelijkheid werd 75% van de koloniale economie gecontroleerd door drie machtige financiële groepen: de Société Générale, de groep Empain en de Bank van Brussel.

De doelstelling om veel winst te maken werd dan ook ruimschoots gehaald. Tussen 1896 en 1907, toen Congo nog het persoonlijk bezit was van Leopold II, bracht de kolonie het kroondomein omgerekend 450 miljoen euro op. Deze winsten vloeiden niet terug naar het Congolese volk maar werden in Belgische prestigeprojecten geïnvesteerd die tot op vandaag het straatbeeld in verschillende Belgische steden bepalen. De gaanderijen op de Oostendse dijk werden rechtstreeks gefinancierd met rubber uit Congo. Ook na 1908, toen Congo eigendom werd van de Belgische staat, bleven de winsten stijgen. Vooral de exploitatie van de Congolese mijnen leverde een nieuwe bron van inkomsten op. De Union Minière werd in 1906 opgericht en zag zijn winsten stijgen tot het in de laatste tien jaar van de kolonisatie 31 miljard frank nettowinst kon uitkeren aan dividenden. De winsten die in deze periode gemaakt werden, zijn vandaag nog steeds de basis van het fortuin van de allerrijksten in ons land. In de lijst van de rijkste 200 Belgische families maakten maar liefst 11 van de rijkste 23 families hun fortuin op z’n minst gedeeltelijk in de kolonie. Het gaat om de families Solvay, Emsens, Boël, Janssen, Bekaert, Lippens, Vandemoortele, Van Thillo, Bertrand, Dieryck en van Baaren. Terwijl sommigen proberen te vertellen dat de Belgische kolonisatie een win-win situatie was die zowel België als Congo vooruit hielp, weten deze families goed genoeg dat het in feite om een winst-winstsituatie ging.

Verzet en repressie

Winst-winst voor de grote Belgische ondernemingen, want de modale Congolees kon niet meegenieten. Verdedigers van het koloniaal tijdperk halen als positieve eigenschap vaak de nieuwe infrastructuur in Congo aan, maar die was er alles behalve op gericht om een duurzame ontwikkeling te voorzien in Congo. In een ontwikkeld kapitalistisch land als België zijn alle steden onderling met elkaar verbonden, in een raster, om overal zoveel mogelijk economische ontwikkeling mogelijk te maken (de zogenaamde spinnenweb-structuur). In de Europese kolonies daarentegen, volgden de spoorwegen een bladnerf-structuur: de steden en economische centra - plantages, mijnen - worden aaneengeregen en in verbinding gebracht met de haven of later de luchthaven richting ‘moederland’. De “fantastische infrastructuur” diende hoofdzakelijk om geplunderde goederen naar België te halen en om soldaten te vervoeren om in te grijpen.

De verarmde Congolese bevolking zag de kolonisatie dus allerminst als een win-winsituatie. Doorheen de koloniale periode vonden er meerdere opstanden plaats tegen het koloniale bestuur. De grootste vond plaats in 1941 en begon in een mijnsite van de Union Minière. Ondanks de repressie en de moord op een staker breidt de staking zich snel uit naar naburige mijnsites. Uiteindelijk laat provinciegouverneur Maron in Lumbumbashi 200 stakers naar een voetbalveld brengen op vraag van directeur-generaal Motoulle van de Union Minière. Stakingsleider Leonard Mpoyo wou naar Maron toestappen om te onderhandelen, maar Maron gaf het signaal en de 200 stakers werden neergeschoten. Officieel werden er 45 doden geteld, maar in realiteit ligt het dodental waarschijnlijk veel hoger. De volgende dag gingen de mijnwerkers weer werken en was de grootste staking uit de Belgische koloniale geschiedenis verleden tijd.

Neokolonialisme

Na de tweede wereldoorlog start een dekolonisatiegolf. Dit is het gevolg van een complex samenspel van factoren. De verzwakte en verdeelde West-Europese burgerij moet zich deels schikken naar de wensen van de opkomende en assertieve Amerikaanse burgerij. Terwijl deze herschikking van de kaarten zich voordoet binnen het imperialistische blok, heeft de Tweede Wereldoorlog in de kolonies een hernieuwing van het politiek bewustzijn en de politieke strijd voortgebracht, met als meest sprekende voorbeeld de Algerijnse onafhankelijkheidsoorlog. In Congo komt de onafhankelijkheid relatief laat. Vanaf 1958 beginnen de evolués zich in politieke partijen te organiseren. Het is onder druk van de massa van boeren en arbeiders dat deze politieke partijen deels opschuiven richting een meer radicaal nationalisme dat pleit voor echte onafhankelijkheid. Begin 1959 komt het tot grote opstanden in Léopoldville, geleid door boeren en arbeiders. Deze opstanden brengen de Congolese onafhankelijkheid in een stroomversnelling die ook de gematigde Congolese nationalisten niet hadden zien aankomen. Er zit voor de Belgische staat in januari 1960 niets anders op dan de Congolese onafhankelijkheid te aanvaarden.

De verkiezingen van 1960 brachten een klinkende overwinning voor de nationalistische krachten in Congo, onder leiding van Patrice Lumumba. Het politieke programma van Lumumba was een brug te ver voor de Belgen die graag de controle hadden behouden in het onafhankelijke Congo. Ook de Amerikanen, die Lumumba aanvankelijk wilden gebruiken om zelf meer macht te verwerven ten opzichte van België, keren hun kar en zien Lumumba voortaan als een bedreiging. Wat Lumumba bepleitte was de reële onafhankelijkheid van Congo, waarbij de economie en de grondstoffen in handen kwamen van het Congolese volk en niet van buitenlandse bedrijven. "Nous allons veiller à ce que les terres de notre patrie profitent véritablement à ses enfants. Nous allons revoir toutes les lois d'autrefois et en faire de nouvelles qui seront justes et nobles", zei Lumumba bij de onafhankelijkheid van Congo.

Het anti-imperialisme en het economisch nationalisme van Lumumba waren het startschot voor wat Antoine Gizenga “de koloniale heroveringsoorlog” noemde. De Belgische staat begon met een economische oorlog tegen het onafhankelijke Congo. De Belgische Centrale Bank nam de goudreserves en activa van Congo in beslag. De Union Minière financierde mee een staatsgreep tegen Lumumba en betaalde 1,5 miljoen franken uit om Lumumba tegen te werken in het parlement. Het Congolese leger bleef in handen van de Belgische staat na de onafhankelijkheid. Generaal Janssens die het bevel voerde over de Force Publique riep op 5 juli de Congolese soldaten in zijn kazerne samen. Hij schreef daar op het bord, vijf dagen na de Congolese onafhankelijkheid: “Après l’indépendance = avant l’indépendance”. De onlusten die volgden op deze openlijke provocatie vormden de aanleiding voor een Belgische militaire interventie in Congo en de onafhankelijkheid van Katanga, gefinancierd door de Union Minière en ondersteund door een Belgische troepenmacht. Lumumba verzet zich tegen de koloniale heroveringsoorlog en roept op tot de strijd tegen de imperialisten. Overal in Congo volgen arbeiders en boeren de oproep van Lumumba. Uiteindelijk doen de Amerikanen beroep op generaal Mobutu om de macht over te nemen. Lumumba wordt onder huisarrest geplaatst en uiteindelijk vermoord in opdracht van de Amerikaanse en Belgische regering.

Onder Mobutu wordt de strijd tegen de nationalisten opgedreven. Minister van Onderwijs Mulele zal nog een guerrillastrijd voeren maar ook hij wordt in 1968 vermoord. Mobutu wordt president en trekt alle macht naar zich toe, met steun van het Westen. Hij verkoopt zijn land uit aan buitenlandse kapitaalgroepen. De winsten die gemaakt worden zijn enorm maar komen niet in handen van de Congolese staat. Zo kreeg het Japanse mijnbedrijf Nippon het beheer over een concessie koper in Zaïre. Vanaf de productie 60 miljoen ton per jaar zou bedragen moest het in ruil een verwerkingsbedrijf bouwen dat door een Zaïrees staatsbedrijf kon gebruikt worden. Dit cijfer werd nooit bereikt. Ondertussen beschikte Japan over een goedkope instroom van koper voor de verwerking in eigen land. De winsten die door het Congolese mijnbedrijf Gécamines gemaakt werden, in sommige jaren meer dan de helft van de staatsinkomsten, werden niet onder de Congolese bevolking verdeeld of in een duurzame uitbouw van de infrastructuur geïnvesteerd.

De totale uitverkoop van Zaïre aan multinationals was een tikkende tijdbom. De economie was op drijfzand gebouwd. Voor de Westerse multinationals is echter maar één iets van belang: grote winsten op korte termijn. Wanneer de situatie minder voordelig wordt, zijn ze even snel weg als ze toegekomen zijn. De inkomsten die Zaïre wel heeft, worden in de eerste tien jaar onder Mobutu voor drie hoofdzaken gebruikt. Er worden grote staatsondernemingen opgericht (deze zijn sterk verweven met buitenlandse ondernemingen), er worden majestueuze infrastructuurwerken op poten gezet (om de uitvoer te bevorderen) en er komen prestigeprojecten. Op alle drie deze vlakken is het gevolg een totale ramp. Er wordt verkeerd geïnvesteerd, de prestigeprojecten zijn veel duurder dan vooraf verwacht en zelfs de infrastructuur brengt niet op. Bovendien worden de werken voor het overgrote deel uitgevoerd door buitenlandse firma’s die enorme winsten opstrijken en dus vloeien ook de winsten van de grondstoffen die in Zaïrese handen zijn naar Westerse multinationals. Om deze projecten te blijven bekostigen moet Zaïre in toenemende mate leningen aangaan. De hoge intresten op deze leningen zijn een grote bron van inkomsten voor banken in het Westen en de Zaïrese staatsschuld stijgt zienderogen. Winst-winst-winst

Congo kreeg dan wel de onafhankelijkheid, de economische plundering van het land gaat gewoon verder. Dit is wat we het neokolonialisme noemen: de verderzetting van de economische plundering van de ontwikkelingslanden, maar in een nieuwe vorm, aangepast aan de tijd. De multinationals gedragen zich als cowboys in het wilde westen. Ze betalen amper belastingen, manipuleren grondstofprijzen om de winsten te vergroten, bepalen mee de binnenlandse politiek, etc. Voor Sally N’dongo, expert rond het neokolonialisme, is dit zelfs een preferabel systeem voor de Westerse multinationals. Hij omschrijft hoe de winsten kunnen behouden blijven maar de verantwoordelijkheid voor de veiligheid, infrastructuur, onderwijs die vroeger bij de koloniale macht lag, nu aan de ‘onafhankelijke’ staat kan uitbesteed worden. Kwame Nkrumah, de eerste president van Ghana, titelde zijn boek als volgt: Neokolonialisme, het laatste stadium van het imperialisme.

Vandaag blijft Congo een van de armste landen ter wereld. De kleptocratische dictatuur van Mobutu zorgde voor een bijna ongeziene verpaupering van de Congolese bevolking en als Mobutu sterft in 1997 bevindt het land zich in een zeer penibele staat. De afgelopen twee decennia moest het bovendien twee brutale oorlogen doorstaan die mee gefinancierd en bewapend werden door het Westen. In de periodes van transition na de burgeroorlogen onderging Congo nog twee extra uitverkopen. Een studie wijst uit dat Congo niet minder dan 33% van zijn totale grond verloor aan buitenlandse ondernemingen in de periodes 1997-2000 en 2003-2006. Een audit van de mijncontracten die werden afgesloten met buitenlandse ondernemingen toont dan weer aan dat geen enkele van de honderden contracten een voordelig contract was voor de Congolese staat. Als de Congolese staat deze mijncontracten probeert aan te passen stuiten ze op de veto’s van het Westen. Pogingen van de Congolese regering om uit het neokoloniale keurslijf te treden en een eigen weg uit te stippelen stuiten op verzet. “Met Kabila valt niet te praten”, zegt Karel De Gucht in 2008 na de beslissing van Congo om ook mijncontracten met China af te sluiten. Bijna tien jaar later sluit partijgenoot Alexander De Croo in een interview met Mo Magazine een militaire interventie in Congo niet uit. Congo bezit naar schatting 59% van de kobaltvoorraad in de wereld. In een wereldeconomie waar dit type grondstof essentieel zal worden (onder meer voor elektrische auto’s), zullen de multinationals blijven strijden voor goedkope ontginning. De geschiedenis van Congo kan je volgens Colette Braeckman samenvatten in enkele sleutelwoorden: een lijst met grondstoffen die de wereld zo snel en zo goedkoop mogelijk wil verkrijgen.

Racisme & kolonialisme: twee zijden van dezelfde munt

Het kolonialisme, het neokolonialisme en de gigantische winsten die erachter schuilgaan moesten gelegitimeerd worden. Hierboven beschreef ik al hoe de kolonisatie vaak omschreven werd als een positieve zaak voor de kolonie, tot op de dag van vandaag. Dit was echter niet voldoende. Om het kolonialisme te verantwoorden werd beroep gedaan op racisme. De kolonisatie kwam op gang met hulp van de Katholieke Kerk. Op bevel van Paus Leo XIII zocht kardinaal Lavigerie in België kandidaten voor de “nieuwe beschavende en christelijke kruistocht”. De kolonisatie was deel van de beschavingsmissie voor de Europeanen. Deze missie werd ondersteund door een racistische ideologie. In 1947 schrijft de secretaris-generaal van Belgisch Congo een voorwoord voor een boek over de Elite Noire, de évolué. Hij maakt een duidelijke hiërarchie op: “terwijl de zwarte elite zich bewust moet zijn van haar superioriteit ten opzichte van de half-wilde inboorlingen dient zij een even duidelijk besef te hebben van haar plichten ten overstaan van de absolute koloniserende macht”. Dit soort openlijk racisme was in het defensief na de tweede wereldoorlog en de overwinning op het fascisme. Sinds de crisis van de jaren 1970 is het racisme echter terug in opmars en groeien de politieke krachten die racisme openlijk verspreiden in de samenleving. In deze nieuwe situatie kan kolonialisme weer openlijk verdedigd worden en is racisme opnieuw bon ton.

Het doel van racisme is tweeledig. Enerzijds verdeelt het de arbeidersklasse in een land. Marx omschreef al in 1860 hoe racisme de oorzaak was van de zwakte van de Engelse arbeidersklasse. De burgerij verspreidde racisme tegenover Ieren om de woede van de arbeiders af te leiden. Een ander doel van racisme is om het patriottisch gevoel op te wekken en zo de naties tegen elkaar uit te spelen. De racistische ideologie van de beschavingsmissie en het sociaal-chauvinisme hadden een grote impact op de Europese sociaal-democratie. In plaats van de kant te kiezen van de onderdrukte naties overal ter wereld, schaarde de Belgische sociaal-democratie zich aan de zijde van het Belgisch grootkapitaal. Emile Vandervelde, leider van de toenmalige BSP schreef in zijn boek dat “afstand doen van de kolonie gelijk staat aan morele vernedering”. Racisme dient als legitimering voor de winsten van de allerrijksten. Zolang een culturaliserend discours het (neo)kolonialisme kan verbergen, blijven de Solvays, Van Thillo’s en Lippensen buiten schot. De inconvenient truth van de Congolese geschiedenis is dat achter de brutale repressie, het kappen van de handjes, het racisme, de onderdrukking en de uitbuiting winstbelangen schuilgaan.

Deze zomer ontstond er commotie toen twee dronken jongeren luidkeels “Handjes kappen, de Kongo is van ons” zongen op Pukkelpop naar twee jonge vrouwen van Afrikaanse afkomst. Niet veel later werden in Hasselt de verkiezingsposters van de PVDA beklad met dezelfde slogan. Sommigen deden dit af als niets meer dan dronken jongens die een edgy studentenlied brachten. Staatssecretaris Theo Francken riep op om “de twee kanten van het verhaal te bekijken” en nationaal KVHV-voorzitter Maxime Goris besloot om het kolonialisme te verdedigen naar aanleiding van het racistische incident op Pukkelpop. Het liedje is meer dan zomaar een studentenlied, het kent een geschiedenis en maakt deel uit van het repertoire van een nieuw rechtse stroming die met hernieuwd zelfvertrouwen racisme en kolonisatie verdedigt. Dat dit soort racistische liederen de tand des tijds doorstaan hebben, toont aan dat de strijd rond de gevolgen en de impact van het kolonialisme nog niet gewonnen is. Het straatbeeld staat nog vol met standbeelden en huldes aan Leopold II en andere koloniale leiders. Vaak zelfs zonder enige duiding. In 2010 noemde Louis Michel, vader van Charles Michel en voormalig minister van ontwikkelingssamenwerking, Leopold II een “visionaire held”. Hij ging verder: “zelfs al zouden er in Congo afschuwelijke dingen gebeurd zijn, moeten we daar dan vandaag nog een veroordeling aan koppelen? […] Op een gegeven moment is de beschaving wel gekomen in Congo”.

Dat de rijkdom van de rijkste Belgen tot op vandaag voor grote delen gebouwd is op de uitbuiting van de Congolezen, is een waarheid die het establishment niet wilt erkennen. We kunnen enkel het racisme begrijpen en er de strijd tegen voeren als we dat beseffen. Nog steeds is het in het Belgisch onderwijs niet verplicht om de koloniale geschiedenis te onderwijzen. Het leerplan moet geüpdatet worden en er moet op een serieuze manier met ons koloniaal verleden omgegaan worden. Als het koloniaal verleden onderwezen wordt, zal ook de nadruk moeten gelegd worden op de winstbelangen die achter de kolonisatie schuilgaan. Onderwijs rond de kolonisatie zal noch het racisme, noch de structurele uitbuiting van het globale zuiden uitbannen, maar het is wel een noodzakelijk eerste stap om het probleem te analyseren. En dat probleem is een economisch systeem gebaseerd op winst en uitbuiting.  

Een andere wereld

Het kapitalisme vereist dat sommige landen in een onderdrukte positie blijven. Dominantie en uitbuiting zijn kenmerken die vitaal zijn om het systeem draaiende te houden. De kapitalistische ontwikkeling in het globale noorden vereist imperialisme om de contradicties die het systeem voortbrengt deels te kunnen opvangen. De grondstoffen en arbeidskrachten in het globale zuiden staan centraal in het kapitalistisch productiesysteem. Zonder de periferie blijft het centrum niet voortbestaan. De structurele onderontwikkeling van het globale zuiden moet dan ook in dat kader geanalyseerd worden. Elke analyse die deze factor uitschakelt, kan enkel tot gebrekkige conclusies komen. We moeten ons weliswaar niet schikken naar deze situatie. Recent overleden marxistisch denker Samir Amin waarschuwde ons voor het “schikken naar de omstandigheden van het kapitalisme”. We moeten uit dit kader durven denken en durven strijden voor een andere wereld. Een wereld waar een land als Congo soeverein kan beschikken over de enorme rijkdommen die het land bezit. Die strijd begeeft zich op verschillende terreinen. Dat is de strijd tegen de koloniale verheerlijking in het straatbeeld en de strijd voor een duidelijk en onderbouwd onderwijs rond het koloniaal verleden. Maar dat is ook de strijd tegen het neokolonialisme en de blijvende invloed van het Westen in het globale zuiden. Het is de strijd tegen de roofbouw van de multinationals in Congo, waar nog steeds kinderen in kobaltmijnen werken. Het is ook de strijd tegen het racisme en paternalisme dat nog steeds gebruikt wordt om het neokolonialisme te rechtvaardigen. En het is vooral de strijd tegen een economisch systeem gebaseerd op winst en uitbuiting dat de ongelijkheid vergroot en de wereld steeds opdeelt in onderdrukkers en onderdrukten.

Comac logo© Comac Studenten 2018.

Privacy

In samenwerking met: