De ijkingstoets ligt weer op tafel: handig hulpmiddel of asociale selectiemaatregel?

Het was een opmerkelijk interview enkele weken geleden in De Morgen waarin Luc Sels en Rik Van de Walle, de rectoren van respectievelijk de KU Leuven en de UGent, samen voor een verplichte, niet bindende ijkingsproef pleitten. Zeker omdat Vlaams Minister van Onderwijs Hilde Crevits liet weten de plannen genegen te zijn. Het debat over ijkingsproeven is al langer gaande en kadert in een bredere hervorming van onze universiteiten die ook in de Franstalige kant van ons land wordt voorbereid. Een complete verrassing kan het interview dus niet genoemd worden. Maar wat opvallend is, is de eensgezindheid aan de top van het onderwijslandschap. Hoog tijd om het debat van onderuit te openen.

Oriënteringsproeven doen ongelijkheid toenemen

Sels en vooral Van de Walle beweren dat zo een test een progressieve maatregel kan zijn. "Er zijn studenten aan de universiteit die misschien beter aan de hogeschool waren begonnen", zegt Sels. "Omgekeerd zijn er jongeren die zichzelf onderschatten. Als we de ijkingstoets veralgemenen, kunnen we meer studenten op de juiste plaats krijgen.” Van de Walle probeert de proef zelfs te verkopen als een progressieve maatregel. “Een ijkingstoets kan een hulpmiddel zijn voor bijvoorbeeld kansengroepen. Jongeren die uit een omgeving komen waar studeren aan een universiteit niet vanzelfsprekend is, kunnen aan hun ouders tonen dat ze een redelijke slaagkans hebben."[1] Er zijn nochtans verschillende elementen die aantonen dat een test de ongelijkheid zou doen toenemen.

Onderzoek naar onderwijsongelijkheid wijst echter uit dat de realiteit niet zo rooskleurig is als ze wordt voorgesteld. Het onderwijssysteem in Vlaanderen is vandaag al één van de meest ongelijke in Europa. De grootste voorspeller voor slaagkansen in het onderwijs is vandaag je sociaaleconomische achtergrond. Al vanaf de kleuterschool en lagere school bouwen jongeren uit kansarme milieus vaak een leerachterstand op. Wanneer Vlaamse kinderen op de prille leeftijd van 12 jaar moeten kiezen tussen ASO, TSO en BSO is vooral het inkomen en opleidingsniveau van de ouders doorslaggevend. En wie geen ASO heeft gedaan, wordt meestal afgeraden om universitaire studies aan te vatten of begint aan die opleiding met een heuse achterstand.

Een ijkingsproef dreigt die ongelijkheid verder te doen toenemen. ‘Als we de uitstromers zonder diploma in detail bekijken, blijkt dat de groep die afhaakt na één jaar vooral bestaat uit jongeren uit minder geprivilegieerde gezinnen’ schrijft Els Consuegra, onderzoekster naar onderwijsongelijkheid aan de VUB, in een gezamenlijk artikel met dertien collega’s. Terwijl kinderen uit kansrijke gezinnen een negatieve uitslag op een ijkingsproef makkelijker naast zich neer kunnen leggen, worden kinderen uit kansarme gezinnen met eenzelfde resultaat er harder door afgeschrikt. Zo wordt het een voorrecht voor een reeds bevoordeeld deel van de bevolking om toch de poging te wagen om hogere studies aan te vatten. ‘De studenten die jarenlang onvoldoendes opstapelen blijken vooral de gemiddelde studenten te zijn met hoogopgeleide ouders en een vooropleiding in het ASO’, aldus Consuegra.[2]

Tussenstap naar bindende selectieproeven

Bovendien zit de kans er dik in dat de zogenaamde oriënteringsproeven een tussenstap zijn in de richting van bindende toelatingsproeven. Dat zegt ook Herman Van Goethem, rector van de UAntwerpen.[3] Die vrees is dan ook niet ongegrond. Niet enkel zijn op verschillende plaatsen niet-bindende oriëntatieproeven al verworden tot bindende toelatingsproeven, Sels zet hier zelf de deur voor open. Zo vertelde hij in een eerder interview. “Ik merk dat we jaar na jaar meer instrumenten hebben, niet-bindende oriëntatieproeven, instaptesten,… Maar ik zie ik de slaagcijfers niet significant verbeteren. Daarom vraag ik me af of we niet nog meer moeten doen om studenten sneller op de juiste stoel te krijgen. (…) Mijn diplomatische antwoord is: ik pleit ervoor dat het debat wordt gevoerd. De tijd is nog niet rijp om dat in te voeren. Ik heb dat gezien bij mijn collega van Utrecht. Die heeft heel Nederland over zich heen gekregen omdat hij pleitte voor selectie. Dat neemt niet weg dat we nu al kunnen nadenken over alle mogelijke varianten om het rendement in het eerste jaar universiteit te verbeteren. Een bindende toegangscontrole is daarbij voor mij zeker een optie.”

Die collega in Utrecht waar Sels zich op inspireert heet Bert van der Zwaan. Hij legde in januari nog een interview af in De Morgen met dat de veelzeggende titel ‘Veel studenten horen niet thuis aan de universiteit.’ In dat interview droomt hij er van om het aantal studenten te halveren en geeft hij aan op korte termijn een krimp van 20% te willen realiseren." Zo’n 15.000 tot 20.000 studenten wordt intuïtief gezien als het ideaal, maar daar durf ik mijn hand niet voor in het vuur te steken. Wij streven naar 25.000 studenten, een krimp met 5.000 studenten” aldus van der Zwaan.[4] Men is met andere woorden duidelijk niet op zoek naar een hulpmiddel om de studenten hun keuze te doen maken, wel naar een middel om duizenden studenten de toegang tot de universiteit te kunnen ontzeggen.

Omkadering in plaats van selectie

Het probleem dat deze proeven zouden moeten oplossen is dat van het hoge aantal studenten dat niet slaagt in het eerste jaar. Dat is een reëel probleem, al moet het recht om een jaar te falen ook wel gewaarborgd blijven. Maar het is hoe dan ook niet door de studenten die falen op voorhand te weigeren dat je het probleem oplost. De doelstelling moet zijn om iedereen de kans te geven om te slagen. "Wie beweert dat de enige methode om de kwaliteit van de uitstroom op peil te houden erin bestaat om bij de instroom te selecteren, die propageert het failliet van eigen kunnen" vatten de verschillende VUB-professoren het goed samen in een opiniestuk voor De Morgen.[5]

De voorstanders van meer selectie leggen de oorzaak van falen eenzijdig bij het individu. In plaats van de structurele oorzaken van het falen aan te pakken, wilt men gewoon de studenten die niet slagen op voorhand al wegsturen. Dat past in een visie waarin men de zogenaamde ‘capaciteiten’ die de test dan zou moeten meten, als onveranderlijke persoonskenmerken ziet en niet als potentieel dat door de omgeving moet worden gestimuleerd en ook kan worden ontwikkeld. De mythe van de meritocratie die abstractie maakt van sociale ongelijkheid is natuurlijk vooral interessant voor wie zelf aan de top staat. In plaats van elite universiteiten die enkel de ‘besten’ willen selecteren zouden we moeten gaan naar een emancipatorisch hoger onderwijs waarin iedereen de kans krijgt om zich te ontwikkelen en uiteindelijk ook te slagen.

Daarvoor moet je durven investeren, niet selecteren. Een publieke herfinanciering van het hoger onderwijs tot 2% van het BBP zoals dat in de jaren ’70 het geval was zou niet enkel de ruimte geven voor meer personeel, meer begeleiding en een kwalitatiever onderwijs. Het zou het ook mogelijk maken om het hoger onderwijs volledig gratis te maken. Uiteindelijk is onderwijs geen individuele maar een maatschappelijke investering die de hele maatschappij ook ten goede komt. Het zou dan ook logisch zijn als we er als maatschappij in zouden investeren om iedereen de kans te geven om zich te ontwikkelen en uiteindelijk ook te slagen.

[1] De Morgen, 2 november, 2017

[2] De Morgen, 3 november, 2017

[3] Knack, 2 november, 2017

[4] De Morgen, 18 januari, 2017

[5] De Morgen, 3 november, 2017

In samenwerking met: