België mijlenver verwijderd van klimaatdoelstellingen. Wat te doen?

In oktober kwamen de milieuministers van alle EU-lidstaten samen om de Europese klimaatdoelstellingen vast te leggen. Tegen het huidige tempo daalt onze uitstoot liefst acht keer trager dan nodig om die doelstellingen te halen.

“Dat het klimaat opwarmt, lijdt niet de minste twijfel meer. De natuurlijke ontregelingen veroorzaken menselijke drama’s en conflicten en verhogen de migratiedruk. De tijd dringt.” Zo sprak premier Charles Michel tijdens zijn regeringsverklaring op 10 oktober. Een waarheid als een koe, maar meer dan mooie woorden blijken het helaas niet te zijn. In werkelijkheid is België helemaal niet op koers om zijn klimaatdoelstellingen te halen. Tussen 1990 en 2017 daalde de uitstoot van broeikasgassen in ons land met gemiddeld amper 1% per jaar. Om tegen 2050 klimaatneutraal te zijn, zoals afgesproken in het Klimaatakkoord van Parijs, moet de uitstoot met minstens 8% per jaar dalen. België moet dus acht keer harder zijn best doen en wel onmiddellijk, maar van een echte inhaalbeweging voor het klimaat was in de regeringsverklaring jammer genoeg geen sprake. Nochtans is het duidelijk dat een ander klimaatbeleid noodzakelijk is: tussen 2014 en 2016 steeg de uitstoot in ons land opnieuw in plaats van te dalen!

Vlaamse uitstoot stagneert

Vlaams minister van Leefmilieu Joke Schauvliege (CD&V) ontkende vijf jaar geleden nog dat de toenmalige lichte vooruitgang vooral het gevolg was van het sluiten van grote fabrieken en de economische crisis. “We zijn gestaag aan het dalen, nog los van de economische situatie”, zei ze in 2012. “Er is geen reden om eraan te twijfelen dat we onze doelstellingen voor 2020 zullen halen. We zitten zelfs voor op het schema.” Ook dat waren niet meer dan mooie woorden en loze beloftes, blijkt nu. De klimaatdoelstelling waar Schauvliege het toen over had, hield voor Vlaanderen in om tegen 2020 15,7% minder uit te stoten dan in 2005. Een grafiek die de krant De Standaard uitbracht, toont hoe de Vlaamse uitstoot inderdaad daalt tot 2014, maar daarna weer omhoog schiet en vanaf midden 2015 stagneert. Zo zal het Vlaams gewest in 2020 amper 2% minder uitstoten dan in 2005. Ook Brussel en Wallonië zullen hun klimaatdoelstellingen voor 2020 wellicht niet halen. De handel in emissiecertificaten, ecotaksen en andere liberale middeltjes hebben kennelijk amper of geen impact gehad op de uitstoot. Ondertussen werd er bespaard op openbaar vervoer en blijven de versleten kerncentrales van Engie-Electrabel langer draaien, wat investeringen in hernieuwbare energie in de weg staat. Volgens de klimaatadministratie zou België zijn doelstellingen voor 2020 zelfs tegen 2030 niet halen en stranden op amper 13%.

België op de klimaatrem in Europa

“Om een volledig klimaatneutrale maatschappij tegen het midden van de eeuw te bereiken, volstaat de Europese doelstelling van 40 procent vermindering tegen 2030 meer dan waarschijnlijk niet”, schrijft De Morgen (30/7/2017). Onze regering zou binnen de EU druk kunnen uitoefenen om 55% vermindering tegen 2030 te nemen als doelstelling, zoals experts naar voren schuiven. Maar ze doet het omgekeerde. België kreeg van de Europese Commissie de opdracht om 35% minder broeikasgassen uit te stoten tegen 2030. Het Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO) ziet dat niet zitten. In een woeste verklaring, getiteld “We mogen niet in eigen voet schieten”, argumenteerde VBO-baas Pieter Timmermans vorig jaar al dat het Europese plan te veel zou kosten aan de Belgische bedrijven gezien hun “lager technisch-economisch reductiepotentieel”. De werkgeversorganisatie stuurde aan op heronderhandelingen om de doelstelling te verlagen naar 24%.

In juni dit jaar klonk het ook bij federaal minister van Energie Marie-Christine Marghem (MR) dat “de Europese Commissie te weinig rekening houdt met het feit dat we een transitland zijn met veel buitenlands vrachtverkeer én met veel verouderde gebouwen. Daarom zullen we nu met Europa onderhandelen met de bedoeling die 35% te verlagen.” Na bakken kritiek trok de minister deze woorden van haar woordvoerder weer in.

Toch blijft België binnen de EU op de klimaatrem staan. Tijdens de Europese top in Luxemburg van oktober pleitten de Belgische onderhandelaars ervoor om als vertrekpunt voor 2030 de gemiddelde uitstoot tussen 2016 en 2018 te nemen en niet de uitstoot 2020, zoals bijvoorbeeld Duitsland vraagt. Dat zou dus een hoger vertrekpunt betekenen. België opteerde in Luxemburg ook voor ‘flexibiliteit’ en transfereerde een deel van de doelstellingen van de industriële naar de niet-industriële sector, zodat er minder inspanningen zouden nodig zijn in transport, huisvesting en landbouw. Eerder dit jaar zei minister Marghem in de Kamer ook al dat ze de deadline van de klimaatdoelstellingen voor 2020 mee wou opschuiven naar 2030. Dat uitstelgedrag dringt België ook op aan de andere Europese landen. Oorspronkelijk was gepland dat ons land zijn Nationaal Energie en Klimaatplan (NEKP) voor 2030 dit jaar zou presenteren, maar de deadline werd al opgeschoven naar 2018. Binnen de Europese Unie dringt België er nu op aan om de deadline opnieuw uit te stellen tot 2019. Nochtans weet onze premier kennelijk heel goed dat er geen tijd te verliezen is ...

“Tijd voor een revolutie”

In plaats van een voortrekkersrol te spelen in de strijd tegen klimaatverandering, kiezen onze regeringen ervoor om de belangen van het VBO en de winsten van Engie-Electrabel boven een leefbaar klimaat te stellen. Het lobbywerk van multinationals en werkgeversorganisaties verhindert overal in Europa en Noord-Amerika dat de nodige drastische maatregelen genomen worden om ecologisch te produceren en de switch naar volledig hernieuwbare energie te maken. Het klimaatbeleid blijft daarom meestal beperkt tot ‘marktvriendelijke’ maar achterhaalde liberale recepten zoals emissiehandel, koolstoftaksen of kilometerheffingen. Die treffen vooral de burgers, vergroten de sociale ongelijkheden en hebben een relatief kleine impact.

De totale vernieuwing van heel onze economie en infrastructuur vereist investeringen die geen bedrijf of privaat investeringsfonds kan opbrengen. Niet dat ze het zouden willen, zolang er meer winst te rapen valt met goedkope maar vervuilende energiebronnen en productieprocessen. Het privaat bezit van de grote productiemiddelen, zoals de energiesector, is de systeemfout die moet worden opgelost om het klimaat te redden.

“Het is tijd voor een revolutie. Dat de oliebaronnen, autofabrikanten en oude industrie schrik hebben voor deze omwenteling, is begrijpelijk. Maar het is onze enige weg naar de toekomst”. Voor een keer is het niet de PVDA die het zegt, maar journaliste Ine Renson in een video van De Standaard (14/10/17). Deze nochtans van oorsprong behoudsgezinde krant lanceerde parallel met de Europese top in Luxemburg een dossier “2050 is nu” om haar lezers te informeren over de urgentie van het klimaatvraagstuk én de slabakkende houding van onze regeringen. Om de klimaatverandering binnen de perken te houden, moeten we acht keer sneller onze uitstoot van broeikasgassen afbouwen. Dat vereist structurele maatregelen in de industrie, energie, isolatie, transport en landbouw - de vijf meest vervuilende sectoren. Maar het zijn ook sectoren die steeds meer in handen van de privé gegeven zijn en waar machtige lobbygroepen de belangen van de op winst beluste investeerders doeltreffend verdedigen.

Tien voorstellen voor ecologische en sociale planning

Stel dat we de belangen van die kleine minderheid van superrijke aandeelhouders in de fossiele energie, bouwsector, agro-business, transport en oude industrie even wegdenken. Hoe zou een ambitieus klimaatbeleid er dan kunnen uitzien? Dit zijn tien voorstellen van de PVDA.

1. De Europese en nationale plannen moeten uitgaan van een samenhangende en geïntegreerde visie. Geen abstracte doelstellingen en vage richtlijnen, maar rechtstreekse ingrepen in de economie door middel van ecologische planning met bindende doelstellingen. Tegen 2030 moet in Europa de totale CO2-uitstoot met 55% dalen en moet 45% van de stroom uit hernieuwbare energie komen. Tegen 2050 moet België volledig klimaatneutraal zijn. De omschakeling naar een duurzame economie moet ook gepaard gaan met sociale rechtvaardigheid, met werkgelegenheid en een herverdeling van de rijkdommen. Daarom spreken we van ecologische én sociale planning.

2. In het geval van België is voor een daadkrachtige aanpak ook de herfederalisering van de klimaat- en milieubevoegdheid vereist. Vermindering van de CO2-uitstoot, hernieuwbare energie en omschakeling naar een duurzame economische infrastructuur: stuk voor stuk zijn het problemen die het kader van de gewesten overstijgen en die globaal moeten worden aangepakt. De onderhandelingen over de gewestelijke verdeling van de doelstellingen voor 2020 hebben maar liefst zeven jaar geduurd. Eén nationale minister verantwoordelijk voor één nationaal klimaatbeleid houdt meer steek dan vier ministers die elkaar de zwarte piet kunnen doorspelen.

3. De zwaarste inspanningen uitstellen tot vlak voor de deadlines in 2020, 2030 en 2050 is een gevaarlijke strategie, omdat de uitstoot ondertussen gewoon verder gaat. Om 50% kans te hebben om de opwarming van de aarde te beperken tot 1,5°C, mag de hele mensheid nog 320 gigaton CO2 uitstoten. Op dit moment schommelt de jaarlijkse wereldwijde CO2-uitstoot rond de 36 gigaton. Dat wil zeggen dat als de uitstoot nu niet drastisch daalt, ons ‘koolstofbudget’ al binnen tien jaar op zal zijn. De PVDA wil dan ook dat België een ambitieus en sociaal rechtvaardig Nationaal Energie en Klimaatplan voor 2030 opstelt dat rekening houdt met alle deelsectoren en dat direct in werking treedt.

4. Ook de uitdoving van fossiele brandstoffen kan niet wachten tot morgen. Een geplande uitfasering van fossiele brandstoffen met wetgevend kader is nodig om niet langer afhankelijk te zijn van marktschommelingen. Alle subsidies aan fossiele en nucleaire brandstoffen moeten meteen worden stopgezet, nieuwe investeringen verboden. De werknemers in de fossiele en nucleaire industrie hebben recht op een sociaal rechtvaardig herbestemmingsplan.

5. De uitbouw van een 100% hernieuwbaar en 100% publiek energienet. De privatisering van de energiesector moet worden teruggedraaid, Electrabel moet opnieuw in publieke handen om het algemeen belang te dienen. Stedelijke energiebedrijven onder democratische controle van de bevolking maken een aangepaste energievoorziening mogelijk. De bouw van water-, wind- en zonnecentrales zorgt tevens voor vele duizenden jobs. De sites van de huidige kerncentrales moeten worden omgebouwd tot hoogtechnologische energieopslagcentrales, met opnieuw jobcreatie tot gevolg.

6. Agro-business inruilen voor agro-ecologie. Geen grote agro-multinationals als Monsanto-Bayer meer die bodemuitputtende technieken, vervuilende pesticiden en gemanipuleerde zaden gebruiken om meer winst te maken, maar lokale en gediversifieerde landbouweenheden die gezond voedsel en respect voor de natuur garanderen. Deze vorm van bodembewerking is arbeidsintensiever en schept dus opnieuw vele nieuwe arbeidsplaatsen. De vleesproductie moet worden afgebouwd en rekening houden met de draagkracht van de eigen bodem. Geen massale invoer meer van soja uit Zuid-Amerika voor de export van varkens en kippen, maar korteketenlandbouw met producten van eigen bodem en gericht op eigen consumptie.

7. Volop inzetten op isolatie. De CO2-uitstoot van al onze gebouwen moet tegen 2050 naar nul. Betere isolatie brengt ook een kostenbesparing op energie met zich mee. Een grootschalig programma van energierenovatie moet ervoor zorgen dat alle overheidsgebouwen en sociale woningen alvast nul op de meter hebben tegen 2020. Wijkrenovatieprojecten via een derdebetalerssyteem maken energiezuinig wonen toegankelijk voor iedereen. De overheid schiet de investering voor en de gezinnen betalen de lening in schijven terug, met de winst op hun energiefactuur, tegen nul procent. Eigenaars van commercieel vastgoed moeten verplicht zo’n derdebetalerslening aangaan.

8. We hebben een openbaar vervoer 2.0 nodig dat comfortabel, betrouwbaar en betaalbaar is. De besparingslogica moet volledig omkeren en plaats maken voor grootschalige investeringen in De Lijn, TEC, MIVB en NMBS. Meer personeel, een fijnmaziger net en meer capaciteit is nodig om overal en de klok rond een vlotte verbinding te garanderen. De prijzen moeten naar omlaag door een shift naar volledig publieke inkomsten, bekostigd met rechtvaardige fiscaliteit. Minderjarigen, studenten, 65-plussers en werkzoekenden kunnen volledig gratis reizen. Openbaar vervoer 2.0 is ook multimodaal, het vindt aansluiting bij andere sociale vervoersmiddelen zoals autodelen en fietsdelen. Een toekomstgerichte stadsplanning met fietsostrades en autoluwe stadskernen gecombineerd met een sterk uitgebouwd openbaar vervoer maakt personenwagens in veel gevallen overbodig. Het overblijvende wagenpark moet tegen 2050 volledig elektrisch zijn. Goederentransport over lange afstand moet verplicht via spoor- of waterwegen.

9. Publieke warmtenetten zijn een moderne en ecologische manier om hele wijken en steden te verwarmen. Warmtenetten transporteren industriële restwarmte via een buizensysteem naar woningen, kantoren en andere gebouwen. Zo gaat er geen energie verloren en sparen gezinnen weer een rekening uit. In München levert een publiek warmwaternet van 800 kilometer buizen groene warmte aan 120.000 gezinnen. Tegen 2030 moeten alle grote Belgische steden uitgerust zijn met een openbaar stedelijk warmtenet. De aanleg van deze warmtenetten moet net als de uitbouw van openbaar vervoer 2.0 gepaard gaan met moderne en toekomstgerichte stadsplanning.

10. Een nationale investeringsbank onder democratische controle om al deze werken uit te voeren en om de overige industrie te vergroenen met inspraak van de vakbonden. Deze overheidsbank garandeert het spaargeld van de spaarders en investeert enkel in rechtvaardige ecologische projecten.

In samenwerking met: